14-03-17

Schrijfles op Het Lyceum

Nieuwe stadsverhalen van Rotterdamse scholieren

Muriël de Kroon van Het Lyceum Rotterdam schreef dit verhaal onder leiding van Bianca Boer bij de foto van Luis Rios-Zertuche. Luis maakte deze foto voor De Kracht van Rotterdam 2016. Het Lyceum Rotterdam is een van de scholen die mee heeft gedaan aan het schrijfproject Verhalen bij beelden uit de stad. Muriël heeft dit verhaal ook voorgelezen op de Dag van de Literatuur.

Jij, ik en hij

Het is altijd jij en ik geweest. Jules en Lissa, best friends forever. Maar nu is het jij, ik en hij. Hij heeft het verpest.

‘Lis?’ vraag jij, de voetbal balancerend op je linkervoet.

Het is donker, de zon lang geleden verdwenen achter de dichte begroeiing aan de overkant. Hij zit al binnen in de boot, maar jij en ik zijn nog buiten, niet klaar om de comfortabele omgeving te verlaten.

‘Ja Jules?’ zeg ik uiteindelijk, je recht aankijkend. Je blauwe ogen glinsteren in het donker en je bruine krullen werpen schaduwen op je gezicht als je me een lome grijns geeft. Aan jou is niet te zien wat je denkt.

‘Waar denk je aan?’

Mijn ogen dwalen van je gezicht naar je ontblote borstkast, de zongebruinde huid en de laaghangende spijkerbroek, alles bekend en vertrouwd. De haren op je onderarmen staan recht overeind door de kouder wordende lucht, maar het ruwe zand onder onze voeten is nog warm van de brandende zon eerder die dag.

‘Niets,’ lieg ik, terwijl een windvlaag mijn haren optilt.

Je trapt de voetbal mijn richting in.

‘Je bent een slechte leugenaar, Lis.’

Hij noemt me nooit Lis, voor hem is het altijd alleen Lissa.

‘Ik weet het niet,’ zeg ik, een slap excuus waar jij normaal geen genoegen mee neemt. Maar je verbaast me en vraagt niet verder. Ik trap de bal terug, maar je let niet op en hij vliegt langs je, het water in.

Een stel eenden, die net hun rust hadden gevonden, zwemmen luid kwakend weg van het plotselinge geluid. Je rent het water in, zonder eerst je broekspijpen op te rollen.

Het luik van onze zeilboot gaat open en hij verschijnt. Het licht achter hem zorgt ervoor dat zijn gezicht niet meer is dan een schaduw. Hij bekijkt het tafereel: jij in niet meer dan je jeans tot je knieën in het water, en ik in m’n bikini-topje en korte broek op het strand. Ik weet bijna zeker dat hij z’n wenkbrauwen optrekt.

‘Wat, in hemelsnaam zijn jullie aan het doen?’ roept hij over het water en weer schrikken de eenden, die nu besluiten de vleugels uit te spreiden en een andere slaapplek te zoeken.

Jij lacht, pakt de drijvende bal en snelt terug naar het droge. ‘Gewoon een balletje aan het trappen,’ zeg je en ik knik, bang om te spreken.

‘Jullie twee zijn gek,’ zegt hij, maar er zit een bepaald toontje aan, alsof hij het allemaal al weet en het hem amuseert.

Hij schudt zijn hoofd en verdwijnt terug naar binnen, het luik sluit achter hem.

Jij kijkt hem na, diep in gedachten, je kijkt pas op als ik je aanstoot.

We zeggen niets, er is niets om te zeggen.

‘Misschien moeten we gaan slapen,’ stel je uiteindelijk voor, maar ik weet hoe het zit.

Anders dan ik, was jij vergeten dat hij er was, en voor even was alles als vroeger, maar nu je het je weer herinnert, wil je niets liever dan bij hem zijn.

Ik weet hoe het voelt, want ik wil het ook.