14-03-17

Schrijfles op Erasmiaans Gymnasium

Nieuwe stadsverhalen van Rotterdamse scholieren

Floor Bosman van het Erasmiaans Gymnasium schreef dit verhaal onder leiding van Raoul de Jong bij de foto van Anne Imfeld. Anne maakte deze foto voor De Kracht van Rotterdam 2016. Het Erasmiaans Gymnasium is een van de scholen die mee heeft gedaan aan het schrijfproject Verhalen bij beelden uit de stad. Floor heeft dit verhaal ook voorgelezen op de Dag van de Literatuur.

Vergeten

Daar stond ik, midden in de nacht, in het centrum van Oslo. De man die me een lift had gegeven had mijn rugzak op de stoep gezet en was, nadat ik hem had bedankt, weggereden.

Waar moest ik nu heen?

Wekenlang was ik jou gevolgd. Op zoek. Al mijn hele leven was ik op zoek. En toen was jij daar ineens, donkerbruin haar, groene, twinkelende ogen, rode, volle lippen. Prachtig was je, maar wat daarna kwam was nog mooier.

“Ik weet wat je zoekt, ik kan je helpen,” zei je. Wat was ik verbaasd, nog nooit had ik iemand iets daarover gezegd. Je had mijn handen gepakt, en met je lange, elegante vingers had je er een papiertje ingelegd. Je vouwde mijn handen dicht en liep weg met lichte passen. Ik vouwde het briefje open: kom morgen om acht uur naar het centraal station, perron zeven. En zo reisde ik je wekenlang achterna, je aanwijzingen gebruikend, met dit briefje als enige houvast. Je was in Oslo, ik had het aan je aanwijzingen gemerkt, ze werden duidelijker, minder mysterieus, alsof je er geen zin meer in had.

Intussen stond ik op een parkeerplaatsje bij een steiger. Ik liep langs de auto’s en busjes die er stonden. Eentje, een grijze, had zijn ramen open. Toen ik naar binnen gluurde, zag ik een man van ongeveer veertig jaar, hij was keurig gekleed en hij sliep, net als de vrouw naast hem. Achterin lagen twee kinderen, ook in slaap. Het meisje rolde om. Het begon inmiddels licht te worden.

Over de daken lag een warme, gele gloed. Mensen begonnen op te staan, gordijnen gingen open, een paar vroege vogels liepen al over straat. Bij een bakker gingen de deuren open. Ertegenover stond een elegant glazen gebouw. Ik liep ernaartoe, het was mooi, heel subtiel. In de hoek, bij het trapje, kwam iemand naar buiten. Ze had allerlei doeken in verschillende kleuren om. Nee, jíj had allerlei doeken om. Jij was het! Ik kon mijn blijdschap niet op. Ik rende naar je toe. Eindelijk zou je me helpen. Maar wat deed je nou raar? Je vertoonde geen enkel teken van herkenning. Je zag me niet eens. Ineens draaide je je om, je liep gehaast de hoek om. Ik moest achter je aan, de hoek om, nog net zag ik het wapperen van een doek, toen je achter de huizen verdween. Ik rende achter je aan. Je was weg. Wat was dit nou?

Terug bij het glazen gebouw stond ik voor de deur waaruit je was gekomen. Naast de deur hing een flyer. “Heb je iets naars meegemaakt?”, stond er, “Iets dat je liever wil vergeten? Dan ben je hier op het juiste adres! Professor Schnitchens heeft een methode bedacht om bepaalde dingen uit je geheugen te wissen…” Ik zakte op de grond.

Hoe kon je? Waarom? Wekenlang had ik gedaan wat in jouw aanwijzingen stond en als jij er geen zin meer in hebt, loop jij doodleuk naar een professor om mij te wissen? Ik pakte het papiertje. Het papiertje dat mijn houvast was geweest voor weken. Tranen van woede vielen erop. Ik scheurde het in tweeën. In vieren, in achten. In zestienen. Gooide ze op de stoep. Een windvlaag nam ze mee, voerde ze over de boomtoppen, richting de zon. En weg was het, het bewijs van jouw bestaan. Weg was jij.