26-04-16

Schrijfles op het Cosmicus #2

NIEUWE STADSVERHALEN VAN ROTTERDAMSE SCHOLIEREN

Zeynep Yildirim van Het Cosmicus schreef dit indrukwekkende verhaal bij de foto van Sander van Wettum van Feyenoord die hij maakte voor De Kracht van Rotterdam 2014. Het Cosmicus is één van de scholen die mee heeft gedaan aan het schrijfproject Verhalen bij beelden uit de stad. Zeynep kreeg de schrijfles van Sanneke van Hassel.

Mijn eigen huis

‘Mam! Niet doen!’ Tranen rolden van mijn gezicht. ‘Ik smeek u, alstublieft stop!’ Wat ik ook zei, het hielp niet. Ze deed het vaker en het werd maar erger. Ik kneep mijn ogen dicht, deed mijn handen voor mijn ogen en wachtte op nog een klap. In plaats van de klap klonk het geluid van een dichtslaande deur. Voorzichtig deed ik mijn ogen open. ‘Mam? Hallo? Is er iemand?’ Geen geluid. Ze was weg.
Ik greep vliegensvlug mijn tas en rende naar de tramhalte om naar school te gaan. In de tram gebeurde het. Weer voelde ik me bekeken, weer voelde ik me anders en alleen, naast al deze mensen. Telkens als iemand giechelde, of wat fluisterde, had ik het gevoel dat het over mij ging. Is dit normaal? Of was ik paranoïde?

‘Sophia? Ben je er nog?’ Het was Thomas weer met zijn “grappige” commentaar.
‘Ja, mevrouw Van Dijk, let u wel op?’ Alsof Thomas’ commentaar niet genoeg was moest meneer De Boer ook nog wat zeggen. Alle leerlingen keken mij aan. Ik voelde dat ik rood werd. Mijn hart begon daarnaast te kloppen als een gek. Geweldig dit. Ik knikte snel, en probeerde verder geen aandacht te trekken.
Waarom? Waarom was ik zo? Waarom deed iedereen zo? Ik zat net weer in mijn eigen wereld weg te dromen toen Thomas naar me toe kwam. ‘De volgende keer niet zo rood worden als een tomaat hè?’ lachte hij. De bel ging, en ik liep naar de tramhalte om naar huis te gaan. Niet dat ik daar echt veilig was, maar ik had geen andere keus.
Ik deed de deur open. Het huis was stil. Ik keek overal maar het was leeg. Ze was nog steeds niet terug. Ik plofte neer op mijn bed en de tranen begonnen weer te rollen.
Toen ik op de klok keek was het al twaalf uur. Ik moest in slaap gevallen zijn. Ik liep naar de badkamer en waste mijn gezicht. Ik deed mijn pyjama aan en ging weer naar bed. Ik staarde naar het plafond, voor eventjes maar, toen kwam ik in beweging. Mijn moeder lag waarschijnlijk al te slapen en haar wakker maken midden in de nacht was geen goed idee. Ik deed mijn haar in een staart, deed mijn normale kleren aan en liep muisstil de trap af. Ik pakte mijn tas en deed mijn sneakers aan. Zachtjes opende ik de deur en liep zo stil mogelijk naar buiten. Het was koud, en het waaide flink. Snel liep ik richting het huis. Richting mijn huis. Ik haalde de sleutel tevoorschijn en deed de deur open. Ik was er. Ik zette mijn tas neer en rende snel naar de piano. Ik legde mijn vingers voorzichtig op de toetsen. Rustig begon ik te spelen. Het geluid van de piano kalmeerde mij. Dit was de plek. De plek waar ik kon dromen. De plek waar ik vrienden had. De plek waar ik niet mishandeld werd. De plek waar ik niet zo verlegen was,  waar ik altijd gelukkig was. De plek waar ik mezelf kon zijn. Dit was mijn plek. Dit was mijn huis.