29-02-16

Schrijfles op het Libanon #1

NIEUWE STADSVERHALEN VAN ROTTERDAMSE SCHOLIEREN

Isa Heeling schreef dit mooie, droevige, verhaal bij de foto die Geisje van der Linden in 2015 maakte in Rotterdam Centrum voor De Kracht van Rotterdam. Het Libanon Lyceum is één van de scholen die mee heeft gedaan aan het schrijfproject Verhalen bij beelden uit de stad. De klas van Isa Heeling kreeg schrijfles van Bianca Boer.

Blauw

Ik doe mijn handen in mijn zakken en slenter over de weg richting huis. Haast heb ik niet. Voor het stoplicht wacht ik en kijk om mij heen. Vanaf hier is het nog ongeveer tien minuten lopen naar mijn huis, maar een beetje beweging zal mij goed doen. Ik loop in de richting van het water, waar ik vaak tot rust kom na alle behandelingen die ik heb ondergaan. Lachende mensen zijn te horen op de achtergrond en een paar rokende meiden lopen langs. Ik ontwijk ze en loop in mijn eentje verder over de kade. Met mijn voet schop ik een steentje in het water en ik zie de waterbus voorbij varen in mijn ooghoek. Recht voor mij zit een meisje. Ze is alleen en haar schouders schokken. Ik zucht en loop met tegenzin naar haar toe, ongemakkelijke gesprekken zijn niet mijn favoriet. Toch loop ik naar haar toe en ga naast haar zitten. “Rotdag gehad?” vraag ik aan haar. Ze knikt en veegt met haar hand over haar ogen. Ik kijk haar bedenkelijk aan en probeer iets te zeggen om haar op te vrolijken. “Heb je de zonsondergang gezien, hij is prachtig!” Wauw, is dat echt het enige dat ik kan bedenken? Het meisje haalt haar schouders op en kijkt me aan. Haar bloeddoorlopen ogen rusten op de mijne en ik lijk ze ergens van te kennen. Ik frons mijn wenkbrauwen en zoek naar de juiste naam. “Tessa?” vraag ik weifelend. Tessa knikt, “Jij bent Jonas toch? Jij sliep toch met mijn broertje op de kamer in het ziekenhuis?” Ik knik. Het is weer even stil. “Hoe is het nu met je broertje? Ik hoorde dat hij uit het ziekenhuis ontslagen was, is de kanker weg?” Ze begint te huilen en ik staar haar aan. Ach Jezus, moet dit nou? Huilen? Ik probeer haar te troosten door een arm om haar heen te slaan maar maak het er alleen maar ongemakkelijker op. “Hij is gisteren overleden,” zegt ze dan, “hij ging afgelopen maand naar het ziekenhuis voor controle en toen bleek de kanker overal te zitten. Ze probeerden alles; chemo, straling en andere medicijnen. Niets hielp. En toen, na een maand, was het opeens voorbij.” Geschrokken kijk ik haar aan, “wow, gecondoleerd, je broertje was geweldig, ik mocht hem graag.” Wat ben ik toch weer lekker subtiel. “Ja, nou, dankjewel, denk ik,” ze staart weer naar het water en een traan glijdt over haar wang. “Hoe gaat het met jou dan?” vraagt ze, en ze moet moeite doen om haar stem niet te laten overslaan. “Ach, net weer een chemo achter de rug, wat vind je van mijn nieuwe kapsel?” Ik wrijf over mijn kale kop om de spanning een beetje te doorbreken. Ze lacht, godzijdank. “Ik vind jouw kapsel trouwens ook geweldig” zeg ik, en ik wijs naar haar blauwe haar. “Het was zijn lievelingskleur” zegt ze dan met een geknepen stem. Ik wend mijn hoofd af en kijk ook naar het water. In deze positie blijven wij zitten, een hele tijd lang. Haast heb ik toch niet.