14-12-15

Schrijfles op het Marnix #2

Nieuwe stadsverhalen van Rotterdamse scholieren

Laura Koekkoek van het Marnix Gymnasium schreef een prachtig verhaal bij de foto van Stacii Samidin. Dit verhaal namen we op in de brochure van 2015. Het Marnix Gymnasium is een van de Rotterdamse scholen die meedoet aan de schrijflessen die De Kracht van Rotterdam organiseert samen met Rotterdamse schrijvers.

Woorden doen geen pijn

Misschien zijn ze nu wel weg. Het begint immers al te schemeren. Als ik de deur open zie ik de kerktoren, die ver boven de daken uitsteekt. Een kleine kilometer verder staat het ziekenhuis.

Zo ver is het niet. Ik probeer mezelf gerust te stellen. Het wordt laat, ze moeten nu wel vertrokken zijn.

Ik spring op mijn fiets, maar ik heb te vroeg gejuicht. Met elke trap trekt de sterke geur van wiet en drank dieper in mijn neus. Met elke trap bonkt het geluid harder tegen mijn trommelvlies. Met elke trap neemt mijn angst toe. Het zweet loopt al over mijn rug als ik de hoek omga. Daar staan ze.

Kijk ze niet aan! Kijk ze niet aan! Kijk ze gewoon niet aan! Ik kijk ze aan. De wereld lijkt even stil te staan. Geen beweging. Zelfs geen geluid. Het is een moment van wisselende blikken, neerbuigende gezichtsuitdrukkingen en oplopende spanning. Maar dan grist één van de jongens vliegensvlug iets van de straatstenen. Ik kan niet goed zien wat het is. Pas als het in mijn richting suist, kan ik het zien. Het is een bierblikje. Geen tijd om na te denken. Met mijn handen probeer ik mijn hoofd te beschermen, maar dan kom ik plots met een enorme klap op de grond terecht. RAAK. Het blikje was niet op mijn hoofd gemikt, maar op mijn fietswiel. Ik voel een stroompje bloed langs mijn oren en mond lopen. ‘Wat een loser!’ Niet reageren. Dan lok je het alleen maar uit.

‘Ach, kijk nou jongens, ‘t arme joch heeft hier wat zitten. Dat zal ik wel even verhelpen.’

Weer voel ik een vloeistof langs mijn gezicht lopen, deze keer is het bier. Het blikje komt erachteraan en raakt mijn neus. Langzaam probeer ik op te staan en het bier uit mijn haar te wringen. ‘Blijven liggen!’ Een trap tegen mijn borstkast volgt. Ik blijf liggen. ‘Je denkt dat je heel wat bent hè, kankerjoch!’

Alles lijkt plots stil te worden. Het voelt alsof er 30 messen recht door mijn hart zijn gestoken, alsof ik vanbinnen compleet leegloop. Ik krijg nog een paar trappen tegen mijn hoofd en lichaam maar die doen me niets meer. Het geluid van lompe schoenzolen op de straatstenen verdwijnt. Ze zijn weg. Ik blijf als verlamd liggen.

Geen idee hoelang ik hier al lig.

Misschien een paar minuten, maar het voelt als een paar uur. Met bonkend hoofd probeer ik op te staan. Hinkend ga ik naar mijn fiets die ze tegen een muurtje hebben gesmeten. Dit had ik aan kunnen zien komen. De banden zijn lek geprikt. Dan maar lopen. Het is ondertussen al pikdonker geworden en als ik de steeg uitloop verlicht het ziekenhuis de hele straat. Een vlaag van warmte kruipt over me heen wanneer ik de deur doorloop, maar vanbinnen blijft dat akelige, koude gevoel.

‘Goedenavond, waar kan ik u mee helpen?’

‘Ik kom voor mevrouw Hazenwinkel. Ik ben haar zoon.’

‘Mevrouw ligt in kamer 403, te vinden op de tweede verdieping.’ Met een vragende blik kijkt de dame achter de balie naar de plekken op mijn gezicht.

‘Dank u.’ Snel loop ik richting de trap. Ik loop door tot ik het bordje zie van de afdeling ‘oncologie’ en sla dan linksaf. Kamer 403. Een stel duffe ogen staren me aan wanneer ik de deur open. ‘Hi mam. Ben je erg naar van de chemo?’