06-03-15

Schrijfles op het Cosmicus #1

Verstoppertje door Dilara Selçuk

Er brandde geen lichtjes in de straten van Rotterdam op deze harde winternacht. Zwarte, versleten laarsjes omvingen mijn kleine voetjes. Het jasje dat mijn tengere lijfje bedekte, was overgedragen van mijn moeder naar mijn oudste zus en van haar weer naar mijn jongere zus. Nu probeerde ik ermee mijn knorrende maag te onderdrukken. Mijn haar rook naar de erwtensoep van oma, die ik altijd met afschuw wegschoof. Oh, wat smachtte ik daar nu naar. Deze honger, deze kou was onverdraaglijk. Waar was moeder die me zei dat we niet op straat mochten spelen? Waar was vader die me vertelde dat we moesten verblijven in een afgeschutte zolder, vol onbekende mensen? Waar was Sara die stilletjes de schoten van de geweren met mij telde? Waar was tante Becca die het kindje wie het langst zijn mond hield in de verborgen kast, een extra glas siroop gaf tijdens het diner. Waar waren de bejaarden, die mooie sprookjes vertelden?

Het leukste spelletje vond ik toen er onverwachts aan de deur werd geklopt en iedereen zich ging verstoppen. Als iemand werd gebuut, dan werd er hard gegromd in een taal die ik niet verstond. Iedere week werden enkelen gebuut. Ook papa.. En oom Joseph en mevrouw Van Zuiden. Oh en mijnheer die brieven voorlas met namen, waar iedereen van moest huilen. Niemand kwam terug.

In de donkere straten brandde ergens een lichtje. Ik hoorde moeders stem roepen: “Eliza, doe niets wat de Duitsers ons verboden hebben, mijn kind!” Ik drukte de gele ster op mijn borst tegen mijn hart, in de wetenschap dat het zichtbaar moest zijn. De versleten laarsjes lieten sporen achter op de wegen die zich hadden gemengd met talloze Joodse zielen. Mijn stappen versnelden. Ik hoorde stemmen achter me. De ene knal na de andere. Het was weer tijd voor verstoppertje.

Het huisje met de brandende licht lag niet ver. Nog 50 meter. Ik hoorde mijnheer stem weer. Ik hoorde begrippen als ‘Auschwitz’ en ‘Westerbork’. Ik zag neergeslagen ogen.

Nog 30, 29, 28 meter. De mannen lachten steeds harder. Wie niet weg was, was gezien. De geweren klonken steeds vaker. De monsters kregen geen genoeg van het spelletje. Ze snakten naar overwinning.

Nog 20, 19, 18 meter. De sterren waren vanuit het heelal zo op de straten verspreid. Huilende kinderen, smekende ouders. De hartverscheurende geluiden van wanhoop vulden de hemel.

15, 14, 13.. De stemmen werden verdrongen door vliegtuigen die dezelfde bedreiging zaaiden in de stad. Het lopen werd steeds moeilijker. De hel brak los. Alle zondaars wilden hun zonden afvegen met een handvol onschuldigen bloed.

12, 11, 10.. Wilde ik wel het lichtpunt voor mij bereiken, terwijl er achter mij duizenden onschuldigen het licht zagen?

9, 8 , 7.. Er was geen tijd om te twijfelen. Mijn benen begaven het. Alle last van de afgelopen jaren, vormden zich een blokkade. De vulgaire woorden die ik naar het hoofd gegooid kreeg. De vernederende blikken die me achtervolgden. De regels die werden gemaakt om mij te kleineren.

5, 4.. Ik zakte door mijn knieën. Ik kon niet verder. Net zoals de sterren achter mij. Het was over. Ik sloot zachtjes mijn ogen en gaf me over aan de monsters. Een hand sloot zich om mijn bovenarm.

“Ik ben er, moeder. Het komt goed. Laten we naar huis gaan.”

Dilara Selçuk, liet zich tijdens de schrijflessen van Sanneke van Hassel op het Cosmicus inspireren door deze foto van Pim Top.