14-01-15

Schrijfles op het Erasmiaans 2

De verschroeide vlakte door Dyon van Velzen 4F

Daar… aan het einde van het spoor: de stad. De bestemming waar hij al dagenlang naar zocht. Na dagen door het verschroeide land te hebben gelopen wat ooit Zuid-Holland geweest moest zijn. Vier dagen, dacht hij, vier dagen geleden was het dat een zonnewind uit het niets het gehele noordelijke halfrond tot een grote woestenij had omgetoverd. Familie had hij niet meer, laat staan een thuis. Dus had hij besloten zo snel mogelijk een stad te vinden, te zoeken naar overlevenden en misschien nog wel het meest belangrijk: voedsel. Al vier dagen was hij aan het lopen. De brandende zon als een mantel van pijn over zijn lichaam. Er was niets meer. Geen communicatie, geen gebouwen, helemaal niks. Onderweg had hij zich al meerdere keren afgevraagd waar hij het voor deed. Als er niets meer was waarom liep hij dan door die hitte waar elke stap een kwelling was. Maar toch was er iets van binnen wat hem bleef vertellen dat hij door moest gaan, de stad moest vinden.

Aan het einde van zijn vierde dag lopen stortte hij dan toch in. Hij deed zijn rugzak af en liet zich vallen op de hete grond. In zijn rugzak zat onder andere een laken. Overdag gebruikte hij het laken om de zweetparels op zijn voorhoofd weg te vegen. De zon leek wel dichter op de aarde te staan na de ramp. Hij vroeg zich steeds af wat deze had veroorzaakt maar kon nergens op komen. Hij had sinds de ramp niemand gesproken en begon zich steeds meer te realiseren dat hij misschien wel de enige overlevende was. Maar waarom hij? Voor zover hij zich herinnerde was hij wakker geworden en was alles weg, verschroeid. Maar hij niet. Simpele dingen zoals zijn naam een leeftijd wist hij niet meer. Na momenten van complete radeloosheid viel hij in slaap.

Toen hij weer wakker werd was het nacht. Het stelde hem teleur dat hij zich nog steeds in de woestenij bevond. Hij koesterde de stille hoop dat hij wakker zou worden in zijn eigen bed en dat dit alles een droom was geweest. Hij besloot door te lopen naar zijn doel: de stad. Het is allemaal zo dichtbij, dacht hij bij zichzelf. Het plotselinge besef dat hij misschien een mede-overlever kon vinden gaf hem hoop. Hij rende naar het eerste gebouw dat hij zag. Hij herkende het nog van die ene keer dat hij met zijn vader naar de grote stad was gegaan. Het grote gebouw met de oranje N. Ja! Dacht hij. Dit is Rotterdam! Vol opluchting drukte hij zijn beide handen tegen het glas. Maar op het moment dat hij het raakte verdween alles. De stad was slecht een hallucinatie, een fata morgana van hoop. De stad was weg en voor hem lag slechts een verschroeide vlakte vol eenzaamheid.

Dyon van Velzen, klas 4F van het Erasmiaans, liet zich tijdens de schrijflessen van Sanneke van Hassel inspireren door deze foto van Ossip van Duivenbode.